over GRIP

GRIP is een choreografisch platform onder leiding van choreograaf en danser Jan Martens en zakelijk leider Klaartje Oerlemans.

GRIP produceert en ondersteunt in de eerste plaats het werk van choreograaf en maker Jan Martens, die binnen het podiumveld op korte tijd een intens, internationaal en niet geijkt parcours heeft afgelegd.Zijn voorstellingen spelen zich af in de witruimte tussen concrete verhalen en abstracte concepten. De aandacht ligt daarbij vaak bij de mens die zijn of haar weg baant, breekbaar én solide.

GRIP begeleidt daarnaast ook een wisselend aantal makers bij het vormgeven van hun artistiek parcours. In 2018-19 zijn dit voor het tweede seizoen op rij Bára Sigfúsdóttir, Steven Michel en Michele Rizzo. De kunstenaars die bij GRIP onderdak vinden, staan aan het begin van hun carrière maar hebben al wel eigen werk gemaakt. De artistiek en de zakelijk leider beslissen samen welke kunstenaars GRIP vervoegen, waarbij ze streven naar een weerspiegeling en uitbreiding van de diversiteit en de variatie in het hedendaagse dans en performance landschap.

Naast de makers zijn er vijf ondersteuners: een zakelijk leider en coördinator (Klaartje Oerlemans), een productieleider en tourmanager (Sylvie Svanberg), een communicatieverantwoordelijke (Sam Loncke), een administratief verantwoordelijke (Lotte De Mont) en een adviseur en huisdramaturg (Rudi Meulemans) die als klankbord voor de makers werkt, los van de productiedramaturgen. Hiernaast zijn er een aantal losse medewerkers waaronder een repetitor, productiedramaturgen en uiteraard de dansers en performers.

GRIP is een nomadische structuur. GRIP heeft geen eigen studio, maar maakt gebruik van de bestaande infrastructuur in het podiumkunstenlandschap door samenwerkingen aan te gaan met theaters, coproducenten, productiehuizen en residentieplekken. De creaties komen telkens in andere ruimtes terecht en ageren met verschillende professionele contexten.

GRIP is actief in verschillende landen. GRIP is een vereniging zonder winstoogmerk (gevestigd in Antwerpen) en een stichting (gevestigd in Rotterdam). GRIP ontvangt structurele subsidie van de Vlaamse overheid (2017-2021), maakt deel uit van het door Europa gesubsidieerde netwerk DANCE ON PASS ON DREAM ON, en heeft verschillende internationale coproducenten en tal van partners in Europa, Noord-Amerika en Azië.

lees meer →

Jan Martens over zijn werk

De technologische ontwikkelingen van de afgelopen jaren waarbij informatieoverdracht ongekende snelheden bereikt en waarbij kennis en voorheen niet te raadplegen bronnen binnen handbereik komen, hebben helaas ook een pak negatieve gevolgen. Concentratiestoornissen, schermverslaving en oppervlakkige verwerking van informatie maken deel uit van deze tijd. Die dualiteit vindt een directe neerslag in mijn werk.

 

Enerzijds:

Ik vertraag. In mijn eerste werken onbewust. Vandaag doelmatig.

Met elk werk wil ik een ruimte creëren waarin tijd is om te observeren. Het theater is de plek bij uitstek om zonder tijdsdruk en zonder gêne te kijken naar mensen van vlees en bloed en om daarbij terug te koppelen aan persoonlijke ervaringen. Mijn werk is in dat opzicht niets anders dan mensen kijken in hun eenvoud of complexiteit.

In een tijd waarin elke mening ongefilterd gepubliceerd en gedeeld kan worden, waar er tijdsdruk is om zo snel mogelijk met een pasklaar antwoord of een andere overtuiging te komen op die gepubliceerde oordelen, vind ik het van belang om iets anders aan te bieden. Een aanbod om in te zoomen, om niet te beoordelen maar om je langzaam af te vragen wat het aangebodene je doet en waarom het dat met je doet. Ik bied rust en reflectie aan in de hectiek van alle dag. Tijd om te verteren.

 

Anderzijds:

Ik ervaar een vrijheid als maker.

De veelheid aan invloeden, bronnen en informatie die binnen handbereik zijn, gebruik ik in mijn werk. Ik sample, cover, remix totdat de oorspronkelijke idiomen onherkenbaar worden of gebruik ze  als prototype in een nieuw te vertellen verhaal.

Als kunstenaar ga ik niet op zoek naar een zogenaamde eigen dans- of bewegingstaal. Elke voorstelling vraagt om een ander idioom. Ik gebruik bestaande bewegingsidiomen en tracht die naar mijn hand te zetten of plaats ze in een ander kader.

Dat is bevrijdend. Ik heb voor mezelf besloten dat mijn werk alle kanten uit mag schieten, dat het de ene keer choreografisch en muzikaal kan zijn en dat een ander werk gestoeld is op louter oogcontact en ongeoefende aanrakingen. Dat de eenheid van al die verschillende werken vanzelf wel boven komt drijven. Dat er maar een paar overtuigingen zijn waar ik me aan vast moet houden om die eenheid te bewerkstelligen omdat alleen ik de keuzes maak die ik maak.


Overtuigingen

 

  1. het lichaam spreekt

Ik werk vanuit de overtuiging dat het lichaam zowel een evidentie als een mysterie is. Dat een lichaam een ander lichaam en geest tot vervoering kan brengen. Dat het lichaam niet uit de mode raakt, dat het kan transformeren maar niet verandert.

Dat dat lichaam tot ons spreekt met een taal die robuust en ongepolijst ingezet kan worden omdat het sowieso communiceert: doelmatig of ongewild.

Dat we via dat lichaam ideeën kunnen kanaliseren en kristalliseren, niet enkel via het hoofd.

Vanuit de overtuiging dat dat lichaam ons allen bindt.

Dat we allen aanraking verlangen, soms ook letterlijk.

 

  1. het lichaam spreekt van mens tot mens

Een eigenschap die alle performers waar ik de afgelopen jaren mee heb gewerkt verbindt, is het feit dat zij allen hun mens-zijn natuurlijk en organisch inzetten op de scène. Ik probeer dat mens-zijn te behouden op de scène, ook al voert de performer soms bewegingen uit die in het dagelijkse leven nooit zouden voorkomen. Vaak is er dus een grote discrepantie tussen het artificiële van de beweging en de menselijkheid die de performer uitstraalt.

De gekozen vorm voor elke specifieke voorstelling mag dat mens-zijn niet in de weg staan. Het moet net de kans krijgen om in al zijn subtiliteit de weg naar een publiek te vinden, opdat we dat publiek kunnen (her)winnen.

Ik wil niet dat mijn performers zweven maar dat hun afdruk op de scène zichtbaar wordt. Ik wil dat mijn werk met beide voeten op de grond blijft.

 

  1. eenvoud rules

Als alles van alle opsmuk wordt ontdaan, blijft enkel de essentie over op scène. Wat vertellen de overgebleven beelden? Komt in het minimaliseren niet net de maximale kern van betekenis bovendrijven?

Ik kies bewust voor doorzichtige, eenvoudige structuren. Ik vind het fijn om als maker en als toeschouwer datgene dat gecreëerd werd te overzien. Op mijn scène gebeuren geen tien acties tegelijkertijd. Ik tracht de blik van de toeschouwer direct te sturen. Wat op de scène gebeurt is overzichtelijk, maar nooit op die manier dat het het kijken en interpreteren van de toeschouwer inperkt. Ik tracht ruimte en tijd in te bouwen om tot reflectie over te gaan. Ik bombardeer de toeschouwer niet.

Ik baken af maar laat open. Ik reik aan maar laat reflecteren.

 

  1. vorm is inhoud is vorm is inhoud is…

Vorm en inhoud vloeien uit elkaar voort. Ik kies nooit voor vorm of voor inhoud.

De inhoud dicteert steeds de vorm van de voorstelling, maar de vorm is even belangrijk. Het summum is dat de vorm de inhoud wordt, of de inhoud de vorm.

Het zoeken en schaven tot die juiste taal gevonden is blijf ik één van de leukste dingen in een artistiek proces vinden. Het geloof dat er maar één juiste taal is om het te hebben over het thema dat je op dat moment tackelt.

 

  1. nieuwe inzichten

Mijn werk moet de mogelijkheid in zich dragen het publiek nieuwe inzichten te bieden over hun eigen kunnen, kijken en/of denken.

Ik wil dat mijn werk gezien wordt omdat ik er van overtuigd ben dat het de kracht heeft om die verandering te bewerkstelligen. Voor het publiek, voor deelnemers aan workshops en projecten, voor de spelers, voor mijzelf.

Elk nieuw inzicht, elke verrijking – hoe klein ook – is waardig.

 

lees meer →